Gebrekkige poetsdrang
Ik heb al een maand niet gedweild. Afgelopen maand was een hopeloze periode voor onze schoonmaakactiviteiten. Het moet alleen geen gewoonte worden.
We geven het kind de schuld
Bijna dagelijks moet ik stofzuigen omdat ik een kat, een kind en in de woonkamer zo’n klote tapijt heb dat na twee jaar nog niet helemaal uitgelopen is. Jaren geleden hadden we hier geen last van. Toen hadden we geen kind en liet de kat geen gebreide truitjes achter, omdat ze vaker buiten was. Ja, inderdaad ja, kinderen slokken al je schoonmaaktijd op. Gelukkig zijn ze zowel een deel van het probleem als van de oplossing.
Nu kan ik een schoonmaker nemen, maar dat lost niets op. Want voordat een schoonmaker aan de slag kan, moet er opgeruimd worden. Wij hebben namelijk een opruimprobleem. Oh wacht, ik word net gecorrigeerd door Nils, IK heb een opruimprobleem. Nils is het beu achter mijn kont aan op te ruimen. Irem ruimt haar eigen rommel op. Die gilt al ‘mag niet!’ als ik mijn tas in haar kinderstoel gooi. Daarbij steekt ze dan dreigend een dik vingertje in de lucht. Gewoon negeren zo’n kind. Meestal geef ik haar een poetsdoekje waarmee ze een kwart van de woonkamer poetst.
Folder obsessie
Ik merk dat wanneer ik Irem op bed heb gelegd eerst even door de woonkamer moonwalk, met een knuistje in de lucht ‘yes!’ roep en de eettafel afruim. De tafel ligt dagelijks bezaaid met jassen, tassen, post, opgedroogde mandarijntjes en een droogboeketje dat ooit vers de vaas in ging. Onder al dat puin vind ik ook altijd kabels en stekkers van telefoons, de TomTom, laptop, fototoestel, en zo kan ik nog heel lang doorgaan. Dat flikker ik natuurlijk allemaal in een lade die uitpuilt van dezelfde rommel. En folders. Oh mijn god, ik ben verslaafd aan het doorploegen van folders. Ik neem ze nog net niet mee in de trein. Misschien zou ik dat moeten doen, want nu slingeren ze door het huis.
Als ik een schoonmaakaanval krijg is deze toko binnen twee uur schoon. Dan glimt het fornuis, is de badkamer gepoetst en zijn de handdoeken gewassen, gevouwen, riekt het huis naar frisgewassen linnen en is zelfs de oven uitgebikt. Gelukkig komt er een dag dat al die poetsessies van Irem zich uitbetalen. Dat ze opgroeit tot een verstandige puber die een voorliefde ontwikkelt voor de chemische geur van schoonmaakmiddelen en gedweilde vloeren. Dat ik na een vermoeide werkdag thuis kom in een glimmend paleisje. ‘Kijk mam, ik heb alvast het hele huis schoongemaakt, de tuinen winterklaar gemaakt, de snaren vervangen van pa’s gitaar en een stoofschotel in de oven gezet.’
Dat kan allemaal mensen, gewoon een kwestie van opvoeding. Het begint allemaal met zo’n poetsdoekje. Echt


